Het hiernamaals van de laatste tsaar

Dominic van den Boogerd

Een groep recente schilderijen van Natasja Kensmil heeft de tragische geschiedenis van Nicolaas II tot onderwerp, de laatste tsaar van Rusland. Beschermd opgevoed in een warm gezinsleven in tijden van oproer en geweld, besteeg hij op 26 jarige leeftijd de troon. Onvoorbereid op zijn zware taak bleek hij een zwak leider. Zijn vrouw Alexandra Fjodorovna schonk hem vier dochters, Olga, Tatjana, Maria en Anastasia, maar aangezien de wet een mannelijk troonopvolger voorschreef bleef de druk op de zorg voor nakomelingen bestaan. Zoon Aleksej werd tenslotte in 1904 geboren. Hij leed aan hemofilie, een bloedziekte die gewoonlijk alleen onder mannen voorkomt en die indertijd ongeneeslijk was. Geen wonder dat het diepgelovige tsarenpaar haar vertrouwen schonk aan een Siberische gebedsgenezer genaamd Raspoetin, een woest bebaarde, rondtrekkende priester die voorwendde dat hij het jonge kind kon genezen en die zich aan het hof manifesteerde als een invloedrijk intrigant – dermate machtig zelfs dat hij tenslotte werd vermoord. Raspoetins voorspelling dat ook de tsarenfamilie vermoord zou worden werd bewaarheid in 1918, toen het gezin, uitgeweken naar Jekaterinenburg voor de volksopstand onder leiding van Lenin, werd gevraagd te poseren voor een groepsportret en vervolgens werd geëxecuteerd. Nog steeds circuleren in Rusland geruchten dat de jongste dochter, Anastasia, aan de dood zou zijn ontsnapt.

De grote schilderkunstige tableaus die Natasja Kensmil aan de laatste Romanovs heeft gewijd horen niet tot de historieschilderkunst maar tot het naamloze genre dat bestaat uit picturale visioenen van het hiernamaals. Tsaar (2006) spiegelt de familiefoto die door de fusillade nooit is gemaakt, het gezin gegroepeerd rond een zwarte, schrikwekkende gestalte. Het verstikkende Desperate Land (2004) portretteert Raspoetin als een rijzige, spookachtige figuur; machtig, duister, heersend over de goedgelovigen aan zijn voeten. Zijn puntmasker herinnert niet alleen aan de Ku Klux Klan maar ook aan de gemaskerde flagellanten in Goya’s De Processie (1816) en Inquisitie scène (1816), schilderijen die de irrationele ontsporingen van gelovigen tot onderwerp hebben. De alles verhullende mantel die in verscheidene voorstellingen terugkeert doet ook denken aan een burqa, een kledingstuk dat beangstigt en ontzag inboezemt omdat het ‘t lichaam van de gelovige onzichtbaar maakt en volledig onderwerpt aan de autoriteit van de religie. OTMA (2007) is een indrukwekkend groepsportret van de dode kinderen. De dochters met hun holle, gelige ogen dragen jurken die glinsteren als vissenschubben; de onfortuinlijke zoon is weergegeven als een gekruisigd skelet. De lugubere voorstelling wordt omlijst door ornamenten die afkomstig lijken uit een ouderwets fotoalbum, waarin goudgedrukte krullen en accolades de waardige omkransing vormen van verbleekte portretjes die de fragiele band met de overledenen moeten bewaren.

In elk van deze schilderijen voel je de koude adem van de dood. Zoals Kensmils eerdere werk is ook deze serie doortrokken van angst en horror en het eeuwig wederkerende kwaad. Specifiek voor de Romanov-schilderijen zijn thema’s als godsdienstwaan, bijgeloof en goedgelovigheid die niet alleen betrekking hebben op de actualiteit van religieus extremisme maar ook op klassiek-moderne schilderijen als Francis Bacon’s schreeuwende paus en de clansmen van Philip Guston. Ook Garden of Eden (2005) hoort tot dit sadistisch universum. De scène combineert de weelderig begroeide, glooiende heuvels van het aards paradijs met de schrikbeelden uit Abu Ghraib, een voor Kensmil zeldzaam rechtstreekse verwijzing naar de actualiteit van oorlog en geweld waar niettemin veel van haar voorstellingen indirect op zijn geënt. Instemmend citeert de kunstenaar de markies de Sade, die in het doen en laten van de mens niet zozeer morele misdaden herkende als wel onbedwingbare natuurwetten van schepping en vernietiging.

Dominic van den Boogerd, april 2007